De kwaliteit van de Nederlandse kinderopvang
Wat weten we eigenlijk van de kwaliteit van de Nederlandse kinderopvang? Het boek De kwaliteit van de Nederlandse kinderopvang gaat in op de groei van de kinderopvang, de wetenschappelijke kennis over de kwaliteit van de kinderopvang en hoe pedagogische kwaliteit omschreven en gemeten kan worden. Het boek leest hier en daar wat lastig vanwege de vele cijfers en verwijzingen, maar als je op de hoogte wilt zijn van de laatste weetjes over de pedagogische kwaliteit van onze kinderopvang, is het zeker de moeite waard. KIND maakte een samenvatting die je een idee geeft van de inhoud.1. De plaats van de kinderopvang in onze samenleving
In Nederland meer dan de helft van de kinderen tot twaalf jaar naar de kinderopvang. In de afgelopen vijftien jaar is het aantal kinderen in de kinderopvang explosief gegroeid. Het aantal in de kinderopvang is bijna verzevenvoudigd en het aantal kinderen dat naar buitenschoolse opvang gaat is zelfs vertwaalfvoudigd. Nederland loopt met zijn aantallen echter nog wel achter bij landen als Denemarken en Zweden, waar respectievelijk 74 procent en 48 procent van de kinderen onder de drie jaar professioneel opgevangen worden. Van de drie- tot zevenjarigen is dit respectievelijk zelfs negentig en en 82 procent.Opvallend hierbij is de opvang van baby's in het buitenland. Ouderschapsverlof duurt daar vaak een jaar en soms wel twee jaar. Dit is veel langer dan de dertien weken in Nederland. Redenen voor een langer ouderschapsverlof zijn in het buitenland dat het beter voor het kind zou zijn langer thuis te blijven en dat het financieel handiger is. Dit is inderdaad niet zo'n gek idee als je ervanuitgaat dat in de opvang minimaal een leidster op drie baby's nodig is.
Onder kinderopvang vallen informele opvang, bijvoorbeeld door grootouders of vrienden, gastoudergezinnen en kinderdagverblijven. In de laatste twee gevallen gelden kwaliteitseisen. Het boek richt zich daarom ook hoofdzakelijk op de laatste twee vormen van kinderopvang.
2. Feiten over de kwaliteit van de kinderopvang
Het eerste wetenschappelijke onderzoek naar de kwaliteit in de Nederlandse kinderopvang werd geschreven in 1976, naar aanleiding van de in 1970 gestarte Proefkreche in Amsterdam. Het volgende onderzoek liet lang op zich wachten: tot 1984. In 1986 kwam het onderzoek pas een beetje op gang en dat terwijl het aantal kinderdagverblijven explosief groeide, namelijk van 167 in 1976 naar 84.000 in 2000 en waarschijnlijk 107.000 in 2003.Het boek besteedt uitgebreid aandacht aan twee studies naar de pedagogische kwaliteit van de kinderopvang: die van Van IJzendoorn e.a. in 1996 en van Gevers Deynoot-Schaub en Riksen-Walraven in 2002. De Nederlandse pedagogische kwaliteit kwam in het eerste onderzoek als bovengemiddeld uit de bus. In de tweede studie is deze kwaliteit iets gezakt, waardoor de kwaliteit volgens de auteurs onder druk is komen te staan. Sterke punten van de Nederlandse kinderopvang bleken de inrichting, de sociale interactie en de persoonlijke zorg. Zwakke punten waren de stimulering van de cognitieve en talige ontwikkeling van de kinderen. Bij de opzet en uitvoering van beide onderzoeken zetten de auteurs wel kanttekeningen. Ze beschouwen deze studies als vingeroefeningen voor het echte werk.
3. Onderwerpen van onderzoek
Verschillende studies hebben verschillende onderwerpen van onderzoek en vullen elkaar daarom aan. Zo zijn er onderzoeken naar proceskenmerken waar vragen over processen centraal staan. Bijvoorbeeld: Wat doen leidsters nu precies als zij spel van kinderen stimuleren? Hoe verandert de interactie tussen leidster en kind als de groepsgrootte toeneemt? Verder wordt er onderzocht op structurele kenmerken met vragen als: Hoe veel ruimte is er voor deskundigheidsbevordering? Hoe vaak wordt er overlegd? Hoe veel begeleiding krijgen leidsters en hoe is het contact met de ouders georganiseerd?Opvallend was de uitkomst van een onderzoek naar het tijdsbestek van het contact tussen ouders en leidsters. Dit bleek bijzonder kort: gemiddeld 108 seconden. Dit contact vindt vooral plaats tijdens het halen en brengen van de kinderen. Ouderavonden worden over het algemeen goed bezocht, maar deze worden meestal gebruikt voor het geven van algemene informatie en het bespreken van beleid. Niet om het individuele kind te bespreken dus.
Ook zijn er onderzoeken gedaan naar de effecten van de kinderopvang.
Auteur Van IJzendoorn gaat uitgebreid in op een spraakmakende Amerikaanse studie onder 1364 kinderen die uitwees dat kinderopvang in de eerste vier levensjaren van het kind zou leiden tot meer agressie in de kleuterjaren. In zijn conclusie vertelt hij waarom we niet zomaar resultaten uit andere landen kunnen toepassen op de Nederlandse situatie. Amerikaanse kinderen gaan bijvoorbeeld gemiddeld meer uren naar een kinderdagverblijf. In Nederland is dat gemiddeld twaalf uur per week, in Amerika komt het vaker voor dat een kind de hele (werk)week opgevangen wordt. Bovendien zijn de Amerikaanse kinderdagverblijven in doorsnee van mindere kwaliteit dan de Nederlandse en kunnen bij het Amerikaanse onderzoek op zich kanttekeningen gezet worden.
4. Onderzoeksterreinen van kwaliteit
In het boek wordt kwaliteit in de kinderopvang gedefinieerd als 'de mate waarin de opvang bijdraagt aan het welzijn en de ontwikkeling van kinderen'. De kwaliteit is te meten als je kijkt naar:Van deze drie kenmerken zijn de eerste het lastigst te meten, omdat de het welzijn en de ontwikkeling van een kind vaak ook te maken hebben met zijn of haar situatie thuis. Je kunt natuurlijk wel nagaan of het kind zich ontspannen voelt en in het kinderdagverblijf kan genieten van zijn of haar activiteiten.
De laatst genoemde kenmerken - mede-opvoeders en omgeving- zijn het makkelijkst te meten. Hierbij kun je denken aan de opleiding van de leidsters, de pedagogische ondersteuning van de leidsters op de werkvloer, de werkdruk van de leidsters, het aantal kinderen per leidster en de accommodatie voor de leidsters. Bij de omgeving kun je kijken naar de aanwezigheid van het juiste spel- en ontwikkelingsmateriaal en de structuur en inhoud van het (dag)programma.
Bij kenmerken van het verzorgings- en opvoedingssysteem gaat het boek in op de zogeheten ' interactievaardigheden van de leidster'. Hierbij wordt opgemerkt dat de ontwikkeling van het kind onder andere bevordert wanneer:Bij een meting van de pedagogische kwaliteit van een kinderdagverblijf, is dus de interactie tussen kind en leidster van groot belang. Observatie van het welbevinden en de betrokkenheid van kinderen zou daarbij een goede aanvulling zijn. Samenvattend geven de auteurs aan dat een goede meting van pedagogische kwaliteit zowel procesmaten als structurele kwaliteitsmaten bevat. Op die manier ontstaat er een genuanceerd en compleet beeld, dat aanknopingspunten geeft voor verbeteringen van die kwaliteit.

