Beweging in het pedagogenveld
Bron: Management Kinderopvang, 10e jaargang, januari 2004, nummer 1'Wij willen een laagdrempelige voorziening worden.'
Het NIZW dreigde haar subsidie te verliezen, de pedagogen bundelden hun krachten in een platform en een nieuw initiatief stond op. De krachten in de pedagogische ondersteuning van de kinderopvang verschuiven. Wat wil het veld?
Door: Heleen van der Veldt
Met de WBK in aantocht is het nú meer dan ooit tijd om je als instelling te buigen over een kwalitatief hoogwaardig aanbod. De verwachte marktwerking en de uitgebreidere inspectie-eisen verlangen ook op het vlak van de pedagogiek een investering. Want het kan nog stukken beter. Dat vinden ze ook bij KIND, het nieuwste kenniscentrum aan het firmament. Per januari as. nestelt het zich tussen het Expertisecentrum Kinderopvang van het NIZW, het Landelijke Pedagogenplatform Kinderopvang en de talloze kleine commerciële bureaus gespecialiseerd in kinderopvang. Zij streven allemaal naar een hogere pedagogische kwaliteit. Wat voegt KIND nog toe? En geldt hoe meer initiatieven hoe beter?
Hoe zorg je als instelling in de kinderopvang voor een verantwoord pedagogisch aanbod? Natuurlijk wordt er gewerkt met zoveel mogelijk geschoolde leidsters en heeft doorgaans ook de leidinggevende een pedagogische achtergrond. Natuurlijk is er een pedagogisch beleidsplan geschreven, al dan niet met hulp van deskundigen. Maar is dat genoeg? Hoe krijg je de theoretische pedagogiek vertaald naar de praktijk? Liefst in hapklare brokken en concrete aanwijzingen. Een aantal grote organisaties beschikken over een of meer pedagogen die vanuit het centrale bureau de vestigingshoofden aansturen. Deze deskundigen hoeven zich geen zorgen te maken over de financieel-economische aspecten van het bedrijf, maar kunnen zich vooral richten op pedagogische kwesties. Ze hebben de tijd zich te verdiepen in de inhoudelijke kant van het werk en hebben - incidenteel - contact met andere deskundigen. Helaas is voor veel organisaties een dergelijke vaste kracht te kostbaar en rust de volledige pedagogische taak bij de vestigingsmanager en de groepsleiding zelf. Zij zullen zelf op zoek moeten gaan naar nieuwe en relevante informatie. En ook bij specifieke vragen, moeten ze zich keren tot externe expertisecentra.
"En juist voor hen zijn er te weinig mogelijkheden om aan te kloppen,"zegt Eugenie Sučr. Oprichtster van KIND, het KennisInstituut kinderopvang NederlandD en tevens directielid bij de KinderVilla. "Wij willen een laagdrempelige voorziening worden. Met náme voor de mensen die nauw bij de werkvloer betrokken zijn. Zij moeten met hun vragen, die ontstaan vanuit de alledaagse praktijk ergens terecht kunnen." En dat kan dus straks bij KIND. Sučr legt uit hoe ze te werk gaan: "KIND is in feite een samenwerkingsplatform waar zoveel mogelijk kennis is gebundeld. Aan de ene kant de (theoretische) deskundigheid van verschillende organisaties, instituten en universiteiten, en aan de andere kant de ervaringen en expertise van de mensen uit het veld. Instellingen kunnen tegen betaling (minimaal €160, -) lid worden van KIND. Vervolgens krijgen alle medewerkers van de lid geworden instelling toegang tot onze bibliotheek en website, kunnen ze de helpdesk bellen voor advies en mogen ze mee discussiëren in werkgroepen en bijeenkomsten. Ons uitgangspunt is de alledaagse praktijk. Welke vragen en behoefte hebben leidsters? Elke kindgerichte vraag kunnen ze bij ons neerleggen. Via de site of bij de telefonische helpdesk. Daar zit iemand die ofwel zelf antwoord geeft, of doorverwijst naar een boek, instantie of cursus binnen of buiten KIND. Komt er een vraag waarvan wij het idee hebben dat het een veel voorkomend issue waar nog onvoldoende informatie over is, dan zullen we proberen een werkgroep te vormen, die we aan een expert koppelen. Deze expert kan bij ons, maar ook van een andere ter zake kundige instelling komen. Gezamenlijk wordt er gewerkt aan een beleidsvoorstel, dat wordt binnen zes maanden aangeboden aan alle leden. De bedoeling is dat het 'plan' na twee jaar op validiteit wordt getoetst."
Een van de instituten waar KIND de experts vandaan denkt te halen, zo schrijven ze in hun voorlichtingsmateriaal, is het Expertisecentrum Kinderopvang van het NIZW. Dit centrum dat al zo'n vijftien jaar aan de weg timmert, beweegt zich op hetzelfde terrein. Ook zij profileren zich als [citaat folder] 'verzamelpunt van kennis afkomstig uit wetenschap, beleid en praktijk, waardoor kennisuitwisseling mogelijk wordt' Hebben we hier te maken met concurrentie? Liesbeth Schreuder, hoofd van het Expertisecentrum Kinderopvang: "Laat ik voorop stellen dat ik concurrentie op het gebied van de pedagogische kwaliteit een slechte ontwikkeling vind. Daar schieten we niets mee op. Het is in ieders belang dat het pedagogische niveau van de kinderopvang ondersteund en verhoogd wordt. Wij doen dat door onze in vijftien jaar zorgvuldig opgebouwde informatie aan te bieden. Dat kunnen wij kosteloos doen omdat we gesubsidieerd worden door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Hierdoor kunnen ook kleine organisaties voor wie een lidmaatschap op de MO-groep al een flinke kostenpost is, zonder lidmaatschap bij ons terecht. Aan onze subsidie dreigde enkele weken geleden een einde te komen omdat het ministerie vond dat de branche zelf voor de ondersteuning moest gaan betalen.Gelukkig hebben we een jaar uitstel gekregen om ons te bezinnen op een nieuwe structuur. Natuurlijk willen wij onze kennis graag blijven delen met derden." Het NIZW heeft, na de oprichting, overleg gevoerd met KIND en weet dat het als leverancier van experts kan worden gevraagd. Op dat verzoek zal het ook ingaan.
Ook Sučr heeft het zeker niet over concurrentie, maar juist over samenwerking: "Wij denken dat we een toevoeging zijn op het aanbod van het NIZW, dat vooral als vraagbaak fungeert. Wij willen een actievere betrokkenheid van onze leden." Volgens Schreuder is hier sprake van een misverstand. Zij denkt dat het NIZW met een imagoprobleem kampt. "Het NIZW wordt door veel mensen gezien als een log en inefficiënt welzijnsapparaat. We zouden traag werken en achter de feiten aanlopen. En, nog zo'n vervelend vooroordeel, we zouden geen eigen kennis verwerven, maar met andermans veren pronken. Natuurlijk moeten we heel zorgvuldig met bronvermelding en doorverwijzingen omgaan. Elke instelling hoort de credits te krijgen voor de inzichten die het ontwikkelt. Maar ik zie het als onze opdracht om al die inzichten met elkaar te verbinden en eventueel verder uit te werken. Om dat te bereiken werken we met z'n zessen keihard. Wij hebben een heel goed overzicht op wat er gebeurd." Maar ze geeft ook toe dat ze niet alles weten. Dat is ten eerste onmogelijk maar, volgens Liesbeth Schreuder, ook een gevolg van de marktwerking: "Als een instelling een eigen succesvolle training heeft ontwikkeld, wordt die niet met het NIZW gedeeld maar zelf aan de man gebracht. En ook universiteiten zijn terughoudend in het delen van onderzoeksresultaten. Van relevante proefschriften schrijven ze liever zelf een persbericht en verzorgen ze een handelseditie."

