Leidsters in actie
Bron: Management Kinderopvang, 11e jaargang, januari 2005, nummer 1‘We moeten meer eisen van leidsters’.
Kinderopvang wil meer invloed op het primaire proces.
Kinderopvangorganisaties willen meer greep hebben op het primaire proces. De tijd dat leidsters achter een gesloten deur zelf konden bepalen hoe ze hun dag vulden, is voorbij. Er wordt meer van ze verwacht. Een trend die past in de veranderende arbeidsmoraal.
Door: Astrid van de Weijenberg
‘Het is mooi geweest: het kantoor is geen pretpark’, dat is de Nederlandse titel van het boek dat de Duitse zakenvrouw Judith Mair schreef en dat vorig jaar ook in Nederland zoveel opschudding veroorzaakte. Ofwel ‘Sluss mit Lustig’, zoals het boek oorspronkelijk heet. Meer tucht op de werkvloer is Mair’s boodschap. In haar boek pleitte ze voor meer formele omgangsvormen op het werk, invoering van het uniform, strikte werktijden en verbod op overwerk. Mair wilde niet, zoals de titel van haar boek suggereert, werknemers het plezier in hun werk afnemen, wel wilde ze een duidelijke scheiding tussen privétijd en werktijd. En nee, werk is nou eenmaal niet altijd leuk. Het is ook gewoon een manier om geld te verdienen. De organisatie waar je werkt, is niet je familie. Dat moet ze dus ook niet suggereren, vindt Mair. Een werkgever heeft een ander belang dan een werknemer, durf daar voor uit te komen. Heldere regels, presteren en discipline zijn in het belang van zowel de werknemer als de werkgever, vindt zij.
Mair's boek komt niet uit het niets. Haar visie past in de trend naar een nieuwe, strengere arbeidsmoraal. Het viel daarom in vruchtbare aarde en dus kon je geen enkel tijdschrift opslaan of er stond een interview met Mair in. De laat-maar-waaien-mentaliteit van de jaren-zeventig-generatie lijkt voorgoed te zijn overgewaaid. Ook in bij uitstek sociale sectoren.
Zo zegt Wouter Bos als Ciska Dresselhuys hem in Opzij langs de Meetlat legt (oktober 2004): ‘Linkse werkgevers zijn de slechtste die er zijn. (…) Linkse mensen vinden het heel moeilijk om hiërarchische duidelijkheid te geven omdat ze bang zijn niet sociaal en aardig te worden gevonden. Maar werknemers zijn vooral gebaat bij duidelijkheid. In de PvdA-fractie hebben we daar een notoir probleem mee: we kunnen niet omgaan met slecht functionerend personeel. We weigeren in functioneringsgesprekken de waarheid te zeggen en dat ook op papier te zetten. Dat heeft dus alles te maken met je angst om asociaal gevonden te worden.’
En bedrijfsarts Mariëlle A-Tjak pleitte in het vorige nummer van Management Kinderopvang (in een artikel over ziekteverzuim) voor een verzakelijking van de relaties in de kinderopvang. Een collega die niet lekker in haar vel zit of een ziek kind heeft, adviseren om maar fijn thuis te blijven, is voor een organisatie natuurlijk onnuttig, zegt A-Tjak. Je moet daarom duidelijk zijn over wat je van je medewerkers verwacht, over en weer. Daar moet je het over durven hebben, en niet alleen als er problemen zijn.
Angst om onaardig of asociaal gevonden te worden, was lang ook bij leidinggevenden in de kinderopvang een bekend verschijnsel. Maar dat is aan het veranderen. Al was het alleen maar door de vele nieuwe en meer zakelijk gerichte aanbieders die er de laatste jaren op de markt bij zijn gekomen.
Op de groep
Maar niet alleen als het gaat over arbeidsmoraal, ook over inhoudelijke zaken zie je een meer directieve, van bovenaf opgelegde trend. Kinderopvangorganisaties werken hard aan hun imago. Zij willen zich als professionele opvoeders presenteren. Dan moeten ze wel hun invloed laten gelden daar waar het imago van de organisatie gemaakt en gebroken wordt, namelijk op de groep, tijdens het primaire proces.
Cor Schuurman, directeur van OZK in Zaanstad: ‘Geen werkgever in welke sector dan ook zegt tegen zijn personeel “ga maar wat doen”. In de kinderopvang doen we dat wel. Met het gevolg dat leidsters doen wat ze leuk vinden of wat ze goed kunnen. Met het gevaar dat ze niet meer doen dan oppassen. En daarmee halen ze hun vak naar beneden. Let maar eens op hoeveel ouders ’s morgens zeggen “fijne dag”. Terwijl leidster tegen hen “werk ze” zeggen. Veel ouders zien het werk van de groepsleidsters niet als werk. En dat komt omdat wij ze niet duidelijk maken wat we doen.’
Ook Eugenie Sučr van de Kindervilla in Naarden vindt dat organisaties in de kinderopvang veel meer aan moeten geven wat ze willen, dat leidinggevenden hun leidsters veel meer moeten aansturen, tegen leidsters veel meer concreet moeten vertellen wat ze moeten doen. Sučr en Schuurman zijn beide bestuurslid bij KIND, Kennis-Instituut Kinderopvang Nederland, dat projecten uitvoert om de pedagogische kwaliteit in de kinderopvang te verbeteren. Zij bespeurden bij directeuren van kinderopvangorganisaties een groeiende ergernis over de passiviteit van leidsters, ergernis over leidsters die vooral op de bank zitten.
Schuurman: ‘Dat kun je leidsters niet eens kwalijk nemen. Wij als management hebben ze verteld dat wat ze deden niet goed was. We wilden geen voorgeprogrammeerde werkjes, zoals paashazen en moederdagcadeautjes. We wilden dat ze uitgingen van het individuele kind. We hebben hun houvast weggehaald, maar er niets voor in de plaats gezet. Toen ik in de kinderopvang kwam, zo’n tien jaar geleden, had je bovendien nog veel HBO’ers op de groep. Een abstracte visie op kinderopvang was voor hen voldoende om hun werk adequaat in te vullen. Inmiddels is dat veranderd. We hebben nu te maken met breedopgeleide MBO’ers, die moet je concrete handvaten geven. In het belang van de kinderen, maar ook in het belang van de leidsters en niet in de laatste plaats om aan ouders duidelijk te maken wat we bieden. We zeggen veel te weinig wat ze moeten doen en hoe ze het moeten doen. We hebben te weinig aandacht gehad voor het primaire proces.’
Linda Blankhorst, trainer in de kinderopvang en medewerker bij KIND: ‘Er wordt te weinig geëist van leidsters en leidsters zijn zich te weinig bewust van wat ze doen. De enkeling die dat wel is, is niet bij machte om het hele team op te trekken.’ Eugenie Sučr: ‘Vraag als ouder bij het ophalen maar eens wat de leidster die dag aan de ontwikkeling van je kind heeft gedaan. Ik wed dat velen niet verder komen dan goed gegeten en goed gedronken die dag.’

